
Belgen keren terug naar kantoor
Een derde van de Belgische werknemers (33%) wil dit jaar nooit meer thuiswerken, een stijging van 8 procentpunt tegenover vorig jaar. Bij studenten die later een kantoorjob ambiëren, stijgt diezelfde wens met exact dezelfde omvang. Dat blijkt uit de jaarlijkse Office Barometer van Befimmo, uitgevoerd door onderzoeksbureau iVOX bij 1.000 werkenden en 200 studenten. De terugkeer naar kantoor legt meteen ook een tweede vaststelling bloot: het kantoor zelf is nog niet overal afgestemd op wat mensen er komen doen.
Terug naar kantoor, bij twee generaties tegelijk
Zes op de tien werkenden (59%) hebben dit jaar geen vaste thuiswerkdag meer, tegenover de helft vorig jaar. Meer dan de helft (55%) werkt intussen nooit meer van thuis uit, tegenover 46% een jaar eerder, en zelfs de vrijdag als klassieke thuiswerkdag zakt van 28% naar 22%.
Bij studenten, de generatie die zich klaarstoomt voor de arbeidsmarkt, stijgt de wens om elke dag naar kantoor te komen naar 18%, exact dezelfde stijging van 8 procentpunt als bij de huidige beroepsbevolking. Nog slechts 2,5% van hen verkiest voltijds thuiswerk, tegenover 8% vorig jaar. Twee onafhankelijke steekproeven die in dezelfde richting en met dezelfde omvang evolueren: dat maakt van de terugkeer naar kantoor de duidelijkste trend in deze editie van de Barometer.
Wat mensen naar kantoor brengt, is bovenal het werk zelf: samenwerking en verbinding met collega's is voor 41% een belangrijke reden om te komen, gevolgd door de toegang tot beter materiaal (21%) en de mogelijkheid om werk en privé gescheiden te houden (19%).
De indeling maakt het verschil
Die terugkeer zet meteen ook de kantoorervaring zelf in de kijker. Minder werkenden vinden dat hun kantoorinrichting hun creativiteit (26%, -9 procentpunt), teamwork (42%, -5 procentpunt) of de mogelijkheid tot afzondering (32%, -7 procentpunt) ondersteunt.
De Barometer toont ook waar dat verschil vandaan komt. Wie werkt in een omgeving die open en gesloten ruimtes combineert, scoort op elk vlak beduidend beter dan het gemiddelde:
|
|
Gemiddelde |
Combinatie open + privé |
Flexdesk |
|
Kan zich concentreren |
47% |
64% |
33% |
|
Indeling stimuleert teamwork |
42% |
60% |
38% |
|
Indeling stimuleert creativiteit |
26% |
32% |
18% |
|
Kan zich in stilte afzonderen |
32% |
45% |
30% |
Het omgekeerde geldt evenzeer: in een open ruimte met flexibele plaatsen zegt de helft (51%) dat lawaai en afleiding de productiviteit aantasten, tegenover 37% gemiddeld. Toch werkt vandaag amper 12% van de Belgische kantoormedewerkers in een gecombineerde omgeving. Voor werkgevers en vastgoedspelers ligt daar een duidelijke opportuniteit: de winst zit niet in méér vierkante meters, maar in beter ingedeelde vierkante meters.
Werkenden en studenten bewegen intussen uit elkaar op het vlak van flexibiliteit. Werknemers kiezen dit jaar net iets vaker voor een vaste zitplaats en laten flex desk links liggen, terwijl studenten net iets meer opengaan voor flexibiliteit. Voor de instromende generatie liggen bovendien de verwachtingen op vlak van bereikbaarheid en duurzaamheid merkbaar hoger: 76% van de studenten vindt een kantoor dat vlot bereikbaar is met het openbaar vervoer belangrijk, tegenover 50% van de huidige werknemers, en ook duurzame initiatieven wegen voor hen sterker door bij de keuze van een werkgever. Ook nabijheid van winkels (43% tegenover 29%) en horeca (38% tegenover 27%) weegt voor hen sterker door.
Vergaderen blijft onmisbaar, en fysiek blijft de norm
Vergaderen roept bij werkenden gemengde gevoelens op. Een derde van wie vergadert (35%) vindt het aantal vergaderingen te veel, en wie online vergadert geeft de eigen "digitale vermoeidheid" een 6,1 op 10. Maar de conclusie is niet dat vergaderen onder druk staat, wel de routineuze online vergadering. Amper 1% vergadert uitsluitend online, tegenover 32% die dit uitsluitend fysiek doet.
Voor een belangrijk gesprek met een klant of externe partner is die voorkeur nog uitgesprokener: 73% van wie vergadert kiest uitdrukkelijk voor een fysieke vergadering, en bij de jongste groep (18-34 jaar) loopt dat op tot 81%. Het zijn dus net de digital natives die het sterkst voor de fysieke ontmoeting kiezen. Fysiek klantcontact versterkt volgens de bevraagden bovendien de zakelijke relatie, met een score van 7,5 op 10. Fysieke ontmoetingsruimte maakt met andere woorden een aantoonbaar strategisch verschil, en is geen overblijfsel uit een tijd voor Teams en Zoom.
Die voorkeur vertaalt zich ook in concrete vraag. Een kwart van de werknemers (25%) boekt zelf weleens een externe vergaderzaal of weet dat dit binnen het bedrijf gebeurt, vooral wanneer intern de ruimte ontbreekt (37%) of als centraal ontmoetingspunt voor geografisch verspreide teams (33%). Wat hen tegenhoudt, is geen gebrek aan interesse, maar een te hoog geachte huurprijs (37%) en een te traag of complex boekingsproces (29%). Wie wel boekt, verwacht vooral een middelgrote zaal met werkende basistechniek zoals een interactief scherm en draadloos scherm delen, aangevuld met IT-ondersteuning, geen overdreven concept.
De verwachtingen zelf zijn opvallend nuchter: vooral een middelgrote zaal voor 5 tot 8 personen (55%), met werkende basistechniek zoals een interactief scherm of smartbord (38%) en eenvoudig draadloos scherm delen (37%), aangevuld met technische IT-ondersteuning ter plaatse (47%), koffie (44%) en catering rechtstreeks in de zaal (36%). Geen overdreven concept, wel techniek die het doet.
Coworking: de volgende generatie blijft overtuigd
Bij studenten ligt het enthousiasme voor coworking al twee jaar op rij rond 69%, een teken dat de generatie die instroomt het concept genegen blijft. Wat hen aantrekt, is opvallend consistent: een betere sfeer (55%), een meer samenwerkende omgeving (36%) en toegang tot ontspanningsruimtes (33%).
Bij de huidige werknemers is het oordeel dit jaar minder uitgesproken: 38% staat positief tegenover coworking, 31% negatief, en bijna een derde (32%) heeft er geen mening over, een stijging met 6 procentpunt. De verschuiving zit dus vooral in een groeiende groep zonder uitgesproken oordeel, eerder dan in toegenomen weerstand. Franstaligen, jongeren en hoger opgeleiden blijven het meest positief.
Ook HR-directors en CFO's aan het woord over AI
Naast werkenden en studenten bevroeg Befimmo ook 50 HR-directors en CFO's over de impact van artificiële intelligentie op de werkvloer. Wie moet kiezen tussen twee risico's, vreest sterker voor vaardigheidsverlies bij medewerkers die AI structureel gebruiken (32%) dan voor jobverlies of het afbouwen van functies (14%); een kwart (24%) ziet beide risico's als even zwaar, drie op de tien (30%) zien weinig risico.
Over de invloed van AI op de kritische denkvaardigheden van medewerkers zijn de bevraagden zelf exact verdeeld: 40% verwacht een negatieve invloed, 40% een positieve, en 20% verwacht geen invloed. Van wie een negatieve invloed verwacht, maakt 70% zich daar ook effectief zorgen over. Wie vreest voor vaardigheidsverlies, wijst vooral naar kritisch en analytisch denken (52%), schrijfvaardigheid (48%) en probleemoplossend vermogen (48%). Toch is het beeld niet louter somber: bijna de helft (46%) verwacht dat AI vooral repetitief werk zal doen afnemen, en 38% verwacht een productiviteitswinst.
Op vlak van tewerkstelling verwacht 38% een daling van het aantal voltijdse functies de komende drie jaar, tegenover 48% die geen verandering verwacht. Zes op de tien (60%) schatten in dat 1 tot 20% van de huidige functies binnen vijf jaar grondig verandert of verdwijnt door AI, een kleinere groep (16%) verwacht een grotere impact. Opvallend: slechts 10% verwacht dat AI vooral banen zal vervangen, de meerderheid ziet vooral een verschuiving van takenpakketten (30%) of een combinatie van beide effecten (32%). Meer dan een derde van de bevraagde HR-directors en CFO's (36%) vreest bovendien dat hun eigen functie op termijn deels of volledig door AI kan worden overgenomen, een teken dat de onzekerheid rond AI ook de beslissingnemers zelf niet bespaart.
Over de Barometer
De Befimmo Office Barometer is een jaarlijks onderzoek van Befimmo. Dit jaar werd het onderzoek online uitgevoerd door iVOX van 3 tot en met 13 juli 2026, onder 1.000 Belgische werkenden, representatief naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau, en onder 200 studenten. De maximale foutenmarges bedragen respectievelijk 3,02% en ongeveer 6,9% bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%. Een aanvullend onlineluik werd van 19 tot en met 26 augustus 2026 afgenomen bij 50 Belgische HR-verantwoordelijken en financieel directeurs.